Het landschap van Zwitserland voelt dramatisch aan op een manier die bijna alle verhoudingen tart. Pieken rijzen abrupt op vanuit de dalbodems, rotswanden storten honderden meters loodrecht naar beneden en meren schitteren in heldere blauwtinten onder uitgestrekte ijsvelden. De schaal is immens, en toch oogt alles scherp afgetekend, alsof het met precisie is uitgehouwen. Het is precies deze ruwe, gebeeldhouwde schoonheid die wandelen in Zwitserland zo’n indrukwekkende ervaring maakt, omdat elk pad zich een weg baant door terrein dat is gevormd door krachten die veel groter zijn dan wijzelf.
Dit landschap is geen toeval. Het is het resultaat van kolossale tektonische krachten, herhaalde ijstijden, erosie, opheffing en klimaatveranderingen die zich over tientallen miljoenen jaren hebben afgespeeld. Wat de Zwitserse Alpen extra fascinerend maakt, is dat ze tegelijk oud én jong zijn. De gesteenten zelf kunnen honderden miljoenen jaren oud zijn, terwijl de bergen geologisch gezien nog jong zijn, nog steeds stijgen en voortdurend opnieuw worden gevormd.