Vier landen, vier verschillende afwegingen.
Noorwegen geeft je het noorderlicht met landschap eronder: fjorden, eilanden en bergtoppen die recht de zee in duiken. Tromsø is de makkelijkst bereikbare uitvalsbasis, maar het is een stad, dus tochten rijden je er juist vandaan. Rustiger opties liggen op een paar uur afstand, zoals de Lyngen Alpen, Senja en Lofoten. De Golfstroom houdt deze kust mild voor zijn breedtegraad, en de keerzijde is bewolking.
Zweden heeft Abisko, waar westelijke lucht zijn vocht kwijtraakt op de bergen net over de grens en een regenschaduw achterlaat. Het resultaat is een opening in de bewolking boven het Torneträskmeer die de lokale bevolking het blauwe gat noemt, en een van de droogste plekken van het land. De nachttrein vanuit Stockholm brengt je er.
Finland is vlakker, kouder en verder van zee, wat zorgt voor minder bewolking en open horizonnen over bevroren meren. Rovaniemi is waar de meeste mensen landen, maar het ligt aan de zuidrand van de goede zone. Saariselkä, Inari en Kilpisjärvi brengen je dieper de ovaal in. Min 20 is een gewone januarinacht in het binnenland.
IJsland ligt onder de ovaal op 64 graden noorderbreedte en heeft dus meer activiteit nodig dan Noord-Scandinavië. Wat je ervoor terugkrijgt zijn zwarte stranden en gletsjerlagunes in beeld, en een eiland dat klein genoeg is om de bewolking te ontwijken. Sla Reykjavík over voor Þingvellir of de zuidkust.